‘Als er één valkuil voor de architect bestaat, dan is het wel de opdracht voor een raadhuis.’ Zo opende architectuurcriticus A. Buffinga zijn artikel ‘Een bundeltje nieuwe raadhuizen’ in het vakblad Bouw van 1964. Het nieuwe raadhuis van Hengelo prijkte temidden van twaalf recent opgeleverde raadhuizen en werd in positieve termen besproken. 'De bouwmassa van het Hengelose stadhuis geeft aan die plaats een zwaartepunt dat tot nu toe had ontbroken. Het ‘volumen’ is adequaat aan functie, plaats en grootte van de gemeente.’ Toch waren er ook andere geluiden in de pers. Kunstredacteur K. Wiekart schreef in Vrij Nederland van 1963: ‘Hengelo’s nieuwe stadhuis. Waarom kleunt de overheid er zo vaak náást?’ Wiekart noemde het gebouw een blok met anachronistische elementen en had de indruk dat architect Berghoef Hengelo zag als weinig vooruitstrevende stad, waar een modern gebouw niet op zijn plaats zou zijn.
Dergelijke geluiden zijn verstomd. Sinds 2007 is het raadhuis van Hengelo een gemeentelijk monument. Latere generaties architecten en architectuurhistorici hebben afstand genomen van de generatiestrijd tussen ‘modern’ en ‘traditioneel’ en hebben weer oog voor de achterliggende ideeën van een bouwwerk, de verbondenheid met de plek waar het staat en de rol van decoratie en ornamenten. Toch zijn de uiteenlopende reacties van toen wel begrijpelijk. Het raadhuis van Hengelo is niet in één oogopslag te duiden. Het is in vele opzichten een onnederlands gebouw, zowel wat betreft de verschijningsvorm als de in de plattegrond verwerkte ideeën over democratie en openbaarheid. De ambitie waarmee het gebouw werd neergezet, blijkt onder meer uit de architectuurreis naar Scandinavië die architect Berghoef in 1951 met het College van B. en W. en enkele raadsleden ondernam.
De cultuurhistorische verkenning naar en in het raadhuis begint met de bredere context: de stedenbouwkundige ontwikkeling rond het marktplein van Hengelo en het wederopbouwplan waarin het nieuwe raadhuis zo’n belangrijke plaats innam. Ook is ingegaan op de naoorlogse ideeën over raadhuisbouw, getoond met referenties van (inter)nationale raadhuizen die Berghoef ter inspiratie gebruikte en documenteren de verschillende ontwerpfasen van het gebouw. Het derde hoofdstuk van het onderzoek gaat in op de plaats van het raadhuis in het oeuvre van Berghoef en de andere raadhuizen (Wieringerwerf, Aalsmeer) die hij in deze periode ontwierp.
Met zogenaamde ‘kernwaarden’ worden de leidende gedachten achter het ontwerp gepresenteerd. Het zijn de waarden centraliteit, democratie, functionaliteit, respresentatie en flexibiliteit. Met deze begrippen krijgt de discussie over de restauratie van dit ‘Gesamtkunstwerk’, meer dan met traditionele waardekaarten per bouwlaag, een diepgang en argumentatie die dit bijzondere gebouw verdient.In verhouding tot andere naoorlogse raadhuizen is dat van Hengelo behoorlijk gaaf gebleven en zijn er nauwelijks irreversibele wijzigingen aangebracht. Toch is er, vooral waar het de entrée en routing betreft, wel het een en ander te verbeteren. In het hoofdstuk ‘Kwaliteiten en knelpunten’ zijn zowel de positieve als negatieve aspecten in beeld gebracht, die als input hebben gediend voor de conclusies en de agenda cultuurhistorie. |